In China tref ik veel vriendelijke en behulpzame mensen, waardoor ik me realiseer dat ik altijd de onbewuste verwachting heb gehad dat Chinezen afstandelijk zijn. Maar ik leer snel bij. Als ik iemand de weg vraag, blijkt die persoon nauwelijks Engels te kunnen (en ik spreek geen woord Chinees), maar hij neemt wel de moeite om me naar iemand toe te brengen die me verder kan helpen. Die persoon, zijn internetverbinding en ik vinden wat we zoeken en vervolgens loopt de man een stuk met me mee om me de juiste route aan te wijzen.
Zo’n beetje elke accommodatie heeft wel een nooduitgang. Gelukkig heb ik er nooit gebruik van hoeven maken, maar het is goed dat ze er zijn. Daarom breng ik met een fotoserie van de bijbehorende bordjes een kleine ode aan de nooduitgang. Rennen! Die kant op!
Tokio in Japan is een van de grootste metropolen ter wereld, waar naar schatting ruim 40 miljoen mensen leven. Toch oogt de stad overzichtelijk en georganiseerd, zelfs tijdens de avondspits merk ik weinig van verkeersdrukte en -herrie. Voetgangers wachten allemaal keurig voor het rode licht, mensen zijn beleefd en er ligt nergens zwerfafval op straat. De eerste indruk van Japan is bijzonder positief.
In de eerste helft van de ochtend arriveer ik in Kuala Lumpur, de hoofdstad van Maleisië. Het openbaar vervoer richting stad is goed georganiseerd, dus ik ben snel bij mijn accommodatie, sterker nog, ik ben te vroeg om mijn kamer in te mogen. Wat doe je in zo’n geval? Dan laat je je spullen ergens achter en ga je de stad in.
Niet in alle landen is het kraanwater drinkbaar, daar doe je weinig aan. Water uit fles drinken, luidt dan het devies, wat tevens materiaal biedt voor een fotoserie.
De nieuwe luchthaven van Istanbul is groot, niet alleen wat betreft passagiersaantallen, maar ook als het gaat om oppervlakte. Dat is te merken, want na de landing rijdt het toestel nog bijna 25 minuten voor het stilhoudt bij de gate. Om vervolgens langs de douane te komen, mijn bagage op te halen en de aankomsthal te verlaten, ben ik ruim een half uur onderweg, de wachttijd bij de paspoortcontrole en de lopende band met koffers niet meegeteld. En er bestaan uitbreidingsplannen voor de luchthaven.
De meeste plaatsen in Ierland kleuren aardig rood als je in Google Maps zoekt op kroegen, maar het is niet het land met de meeste cafés per inwoner (Slowakije en Hongarije gaan Ierland voor). Wel zitten de kroegen er altijd vol. Dus: eerstvolgende stapavond in Dublin. Wie gaat er mee?
Per hogesnelheidstrein doorreis ik Frankrijk richting Montpellier, een middelgrote en leuke stad met veel studenten. Vanaf daar ga ik verder naar Barcelona, dat denk ik geen introductie behoeft, maar waar ik nog nooit geweest ben. Via Andorra, dat eveneens onbekend terrein voor me is, gaat de reis naar Algeciras in Zuid‑Spanje, waarvandaan ik de veerboot naar Marokko neem.
Hoe ze het precies klaarspelen weet ik niet, maar Omaanse mannen dragen 24/7 hagelwitte en strak gestreken gewaden, die er zo piekfijn uitzien dat ze niet zouden misstaan in een wasmiddelreclame. Omo. Oman. Een ervaren marketeer moet hier iets van kunnen maken, zou je zeggen.
Toen ik eind vorige eeuw na een rondreis van een jaar terugkwam uit Australië, vroegen meerdere mensen wat het mooiste was dat ik gezien had in die twaalf maanden. Daar kon ik geen antwoord op geven, want Australië is zo divers en ik had zoveel plekken bezocht, dat het moeilijk was om daar een winnaar uit te selecteren. Als je me dezelfde vraag nu opnieuw stelt, weet ik het meteen: Tasmanië is het mooiste dat ik heb gezien aan de andere kant van de wereld. En Tasmanië is het enige deel van Australië waar ik destijds niet geweest ben.










