Per hogesnelheidstrein doorreis ik Frankrijk richting Montpellier, een middelgrote en leuke stad met veel studenten. Vanaf daar ga ik verder naar Barcelona, dat denk ik geen introductie behoeft, maar waar ik nog nooit geweest ben. Via Andorra, dat eveneens onbekend terrein voor me is, gaat de reis naar Algeciras in Zuid‑Spanje, waarvandaan ik de veerboot naar Marokko neem.
Het eerste deel van mijn trip duurt ongeveer een week, ik zie otters en flamingo’s in een lagune bij Montpellier, beroemde bouwwerken in Barcelona en de rots van Gibraltar nabij Algeciras. Het weer is al die tijd wat druilerig.
Vasten
De aankomsthaven van de veerboot is Tanger, een stad met veel toeristen, waar de lokale bevolking op een nette manier mee omgaat. Ze laten je met rust en proberen je niet aan alle kanten te misleiden of restaurants in te praten, en de enkele jongeman die op zijn brommertje te hard door de smalle straatjes van het oude centrum scheurt, wordt door een paar oudere mannen tot de orde geroepen. In sommige toeristische plaatsen (lees: Marrakesh) is dit duidelijk anders.

Tijdens mijn eerste weekend in Marokko begint ramadan, wat als een verrassing komt, omdat religieuze gewoontes nu eenmaal mijlenver buiten mijn referentiekader vallen. In een kort moment van verbijstering vrees ik de hongerdood, maar gelukkig neemt mijn gezond verstand het snel weer over. Bovendien blijven winkels en supermarkten geopend en op plaatsen met voldoende toeristen de restaurants ook.
Blauw
Zo’n honderd kilometer ten zuiden van Tanger ligt Chefchaouen. De bus rijdt die hele afstand ruim onder de toegestane snelheid, wat ik kan zien omdat ik helemaal vooraan en meteen achter de chauffeur zit. Onderweg wordt me duidelijk waarom; in Marokko is de verkeerspolitie dominant aanwezig in het straatbeeld en om de haverklap zijn er snelheidscontroles.

De huizen in het oude centrum van Chefchaouen zijn net als in het Indiase Jodhpur blauw van kleur. Ook hier heeft het blauw een historische oorsprong, maar tegenwoordig is toerisme de voornaamste reden, vandaar dat de huizen in Chefchaouen beter onderhouden zijn en veel massaler de gewenste tint hebben dan in Jodhpur. Als ik door de gekleurde straatjes loop krijg ik regelmatig hash en marihuana aangeboden, maar ik voel weinig behoefte om zelf blauw te worden.
Terug in Tanger neem ik de eerste operationele hogesnelheidstrein van Afrika, die aankomt in Casablanca, waar overdag steeds buien vallen en ik niet naar buiten kan zonder nat te worden. In de wijk waar ik verblijf ben ik de enige toerist en dat geeft een inkijkje in het Marokkaanse leven van alledag. De eetgelegenheden zijn tijdens de gebruikelijke uren echter gesloten en tegen de tijd dat ze wel maaltijden serveren lig ik al op een oor. In buurtwinkeltjes en supermarkten weet ik alsnog mijn kostje bijeen te scharrelen.
Massa

Met een huurauto reis ik verder en naarmate ik zuidelijker kom, valt er meer regen. Als ik enkele dagen later in Marrakesh ben is het eindelijk droog, maar hier bevalt het mij om een andere reden niet. In het oude centrum met zijn mooie gebouwen en het vermaarde doolhof aan kleine steegjes, is massatoerisme met al zijn lelijke uitwassen een bepalende factor. Denk aan een plein met minstens dertig identieke fruitkraampjes, verkopers die je voortdurend lastigvallen, mensen die je de verkeerde kant op wijzen om je zogenaamd te helpen in ruil voor geld, slangenbezweerders met hinderlijk getrompetter, en restaurants die kleine porties met weinig smaak serveren voor meer geld dan elders. Dat de lokale bevolking op brommertjes door de stoet toeristen heen scheurt, maakt het er niet beter op.
Daarom deze gratis tip van Barts Blogstek: vermijd Marrakesh. Ga in plaats daarvan naar Fez, dat een vergelijkbaar oud centrum heeft, maar waar de sfeer veel meer authentiek en vriendelijk is.
Sneeuw en dadels
Na Marrakesh zet ik koers richting het Atlasgebergte. Als ik de Tizi‑n‑Tichka bergpas overga kom ik onverwacht terecht in een sneeuwbui, maar het wegdek is overal goed begaanbaar omdat de temperatuur boven nul blijft. In mijn eerstvolgende stopplaats Skoura is het stralend weer dat ik nog minder aan zag komen dan de winterse neerslag onderweg.

In de omgeving van Skoura ligt de zogeheten Palmeraie, een oase met een grote variëteit aan dadelpalmen en een enkel klein dorpje. De eenvoudige huizen hebben een bruinroze kleur en staan samen met de palmen tegen een achtergrond van besneeuwde bergtoppen, een mooie en bijzondere combinatie. De voornaamste bezienswaardigheid in de Palmeraie is Kasbah Amridil, een goed bewaard gebleven woonverblijf en defensief bolwerk van enkele eeuwen oud.

Kwartje
Na een aangenaam verblijf in Skoura vervolg ik mijn trip richting de Dadès Kloof. De slingerende weg gaat over bergen en door een vallei, met langs het traject veel mooie en wisselende landschappen, en de rit is daarom populair bij motorrijders en mensen zoals ik. Voor ik de kloof bereikt heb, kom ik door een ogenschijnlijk eindeloze bebouwde kom, waardoor ik aanvankelijk niet snap waar de route haar reputatie aan te danken heeft. Eenmaal tussen de uitzichten, steile rotswanden en besneeuwde toppen valt er een kwartje.

Via Fez en hoofdstad Rabat reis ik verder en op mijn laatste dag in Marokko verblijf ik bij een familie die dichtbij de plek woont waar ik mijn huurauto in kan leveren. Ik krijg het aanbod om ‘s avonds mee te eten. Dat sla ik niet af en als het ramadan‑alarm heeft geklonken en iedereen weer los mag, schuif ik aan voor een uitgebreid maal. De meeste gerechten zijn mierzoet, maar uit beleefdheid zeg ik dat ik alles heerlijk vind. In daad neem ik vooral van die ene niet‑gesuikerde dis.
Niet blij
Vanaf Marokko ga ik door naar Tunesië. In de hoofdstad Tunis valt het mij op dat niemand lacht, iedereen kijkt neutraal tot chagrijnig, wat de indruk geeft dat Tunesiërs een ongelukkig volk zijn. Of dat echt zo is, zoek ik nu meteen voor jullie uit.
Volgens dit overzicht is Tunesië een middenmoter in de lijst met gelukkigste landen ter wereld. Maar Marokko is dat ook en daar zag ik mensen wel (oprecht) lachen. Andere mogelijkheden zijn dat 1) alleen de inwoners van Tunis een ochtend-, middag- en avondhumeur hebben, of dat 2) het moeite kost om te lachen omdat de vastenperiode in haar eindfase zit. Hierover vind ik helaas onvoldoende informatie voor betrouwbare conclusies.
Gebak
Hoe dan ook, vanuit Tunis kan ik met een stadsbus vol eentonige smoelen naar Carthago, ooit de grote rivaal van het oude Rome, maar van de vroegere glorie zijn enkel nog ruïnes te vinden. Tot mijn vreugde zit er in het nieuwe Carthago een koffietent die niet overdag gesloten is. Binnen wordt volop gerookt en drinken mensen koffie of eten ze een broodje, niet iedereen neemt deel aan ramadan zo te zien. Ik ook niet, dus ik bestel koffie met gebak.

In kustplaats Sousse overnacht ik voor weinig geld in een strak hotel met uitzicht op zee. Verder valt er in de plaats weinig te beleven, maar ik kan er vanaf de kleine luchthaven wel rechtstreeks naar Duitsland vliegen, voor een muziektrip langs Hannover (Scorpions – niet mijn pakkie‑an) en Leipzig (Bach en Mendelssohn – interessanter). Na enkele dagen keer ik per trein terug naar Nederland.




