In de eerste helft van de ochtend arriveer ik in Kuala Lumpur, de hoofdstad van Maleisië. Het openbaar vervoer richting stad is goed georganiseerd, dus ik ben snel bij mijn accommodatie, sterker nog, ik ben te vroeg om mijn kamer in te mogen. Wat doe je in zo’n geval? Dan laat je je spullen ergens achter en ga je de stad in.
En laat daar nou het een en ander te beleven zijn. Wolkenkrabbers bijvoorbeeld. Op loopafstand van mijn verblijf bevinden zich de Petronas Twin Towers, twee identieke en opvallend vormgegeven torens die bij de ingebruikname eind jaren 90 de hoogste gebouwen ter wereld waren. Bezoekers worden meegenomen naar een luchtbrug tussen beide torens en vervolgens naar verdieping 86 van de in totaal 88 voor een nog beter uitzicht.
(Urban) jungle
Het valt echter niet mee om de juiste ingang te vinden. Bij de hoofdentree wijst een portier mij naar het naastgelegen winkelcentrum, waar ik niet vind wat ik zoek, navraag in diverse winkels verandert daar weinig aan. Daarom ga ik terug naar de portier, die mij verzekert dat ik toch echt in het winkelcentrum moet zijn. Bij poging twee ontmoet ik een Engels stel op leeftijd, een klein meneertje met bijpassend mevrouwtje, dat hetzelfde probleem heeft, maar met elkaar weten we de ingang te vinden. Helaas zijn de toegangskaarten voor vandaag al uitverkocht, voor morgen zijn er gelukkig nog volop mogelijkheden.

Mijn volgende bestemming in Maleisië is Sabah, dat aan de noordkant van het eiland Borneo ligt. Er staat een excursie door het regenwoud op het programma, waar ik mij op verheug. Met een groep van ongeveer tien mensen maken we verdeeld over twee dagen enkele boottochten en een wandeling door de wildernis, waarbij we allerlei wilde dieren kunnen zien en met een beetje geluk zelfs orang-oetans. Veel geduld hoeven we niet te hebben, want al tijdens de eerste vaart is het raak. Bovenin een boom zien we een orang-oetan met jong, bezig met het maken van een nest voor de nacht. Indrukwekkende ervaring.
De rest van de twee dagen zien we nog veel meer dieren, zoals neusapen, allerlei vogels en een grote groep Borneodwergolifanten, de kleinste olifantensoort ter wereld. Mooie en geslaagde toer.

Roltrap
Vanaf Sabah ga ik via Kuala Lumpur door naar Malakka. Het oude centrum van die stad is mooi en heeft een (koloniaal) Nederlands tintje, maar blijkt ook vrij toeristisch te zijn. Denk aan uitbundig versierde fietstaxi’s met veel toeters en bellen en vooral harde muziek, die het straatbeeld en -geluid domineren op het zogeheten Dutch Square. Een dag in Malakka vind ik daarom lang genoeg.
Mijn volgende bestemming Singapore is vanuit Malakka in een paar uur per bus te bereiken. Het dichtbevolkte, maar ontspannen Singapore is een welvarende en moderne stad, waar een hapje eten goedkoper is dan in Nederland. De meeste andere zaken zijn er duurder. Nabij mijn hotel ligt Fort Canning Park, dat een mogelijkheid heeft om het stadsgroen per roltrap te betreden. Dat heb ik nog niet eerder meegemaakt.
De Filipijnen
Tot nu toe is het me gelukt om zonder contante valuta te reizen, elke betaling lukt met telefoon, maar in de Filipijnen is het me al snel duidelijk dat het contactloze tijdperk even ten einde is. Als je al per telefoon kunt afrekenen werkt het meestal niet. Ergens voelt het ook wel weer als echt reizen, zo’n stapel van dat viezige papiergeld in je broekzak.

De Filipijnen bestaan uit 7641 eilanden, vanaf mijn aankomsteiland Cebu ga ik per boot naar Bohol om de Chocolate Hills te zien. Deze ronde heuvels zijn dertig tot vijftig meter hoog en heten zo omdat het gras dat erop groeit in het droge seizoen bruin wordt. Voorafgaand aan de heuvels bezoek ik een reservaat voor spookdieren, van die kleine, buitenaards uitziende beestjes met grote ogen. Overdag slapen ze, waardoor je ze goed kunt bekijken, maar je de typische bolle ogen dus niet ziet. ‘s Middags ga ik zwemmen bij de Panga watervallen, wat een bescheiden actiekiekje oplevert.

Bohol is een relaxed eiland, in mijn verblijfplaats Tagbilaran merk ik dat tuk-tuks allemaal een Christelijke tekst op de achterzijde hebben staan. Navraag leert mij dat dit een voorwaarde is om een vergunning te krijgen, het stadsbestuur wil zodoende het geloof levend houden. Tuk-tukhauffeurs op Bohol zijn niet opdringerig in hun klantenwerving en vragen niet een veel te hoge prijs voor hun diensten. In veel landen is dit anders, normaal gesproken een reden om geen gebruik te willen maken van dit vervoermiddel. In Tagbilaran laat ik me op de dag van vertrek echter graag van mijn hotel naar de haven tuk-tukken. Als ik uitstap, kijk ik meteen achterop het wagentje, omdat ik benieuwd ben welke tekst er staat. Let the peace of Christ rule in your hearts, luidt het opschrift.
Moalboal
Terug op Cebu neem ik de bus naar Moalboal, dat je uitspreekt als mo‑al‑bo‑al, om te snorkelen en een beetje rond te hangen in deze toeristische, maar niet onaangename kustplaats. Als je vanaf het strand een stukje de zee in snorkelt, zie je grote groepen sardines om je heen. De vissen lijken allemaal synchroon te bewegen.

Mijn laatste stopplaats in de Filipijnen is de hoofdstad Manilla, dat op het eiland Luzon ligt. Vanaf hier heb ik dus nog 7638 eilanden te gaan.
Ik sluit af met een advies
Als ik op mijn eerste dag in de Filipijnen een supermarkt binnenga voor een paar boodschappen, vallen me de lange rijen bij de kassa’s op. Als ik aansluit begrijp ik binnen enkele minuten waarom: de persoon achter de kassa scant niet alleen de aankopen, maar pakt ze ook in. Per productgroep worden ze in een plastic tasje gedaan, dat wordt dichtgeplakt en in een papieren zak gestopt, die ook weer wordt dichtgeplakt. Alle afzonderlijke pakketjes worden vervolgens in een grotere plastic tas samengevoegd. Als het eindelijk tijd is om af te rekenen, is er of te weinig wisselgeld, of de pinautomaat werkt niet en moet er iemand worden bijgehaald om dat op te lossen, die dan weer in geen velden of wegen te bekennen is. Kortom, het Filipijnse kassasysteem zit bepaald niet efficiënt en milieuvriendelijk in elkaar.
Als er na een minuut of tien nog steeds geen enkele beweging in welke rij dan ook zit, besluit ik mijn mandje ergens te dumpen en weg te gaan. De vrouw die achter me staat heeft dat door en wijst me op een rij voorbij de andere kassa’s. De mandjeskassa, weet ze me duidelijk te maken. Fijn, denk ik, en vol goede moed sluit ik aan, maar als ook hier na tien minuten nog geen enkele voortgang is geboekt, wil ik voor de tweede keer weglopen. Net op dat moment is er eindelijk een klant geholpen en is de volgende aan de beurt, een scholier die een flesje frisdrank gepast afrekent. Dat schiet op. Al vrij snel ben ik nummer twee in de rij, maar dan hapert het weer en moet ik opnieuw een minuut of tien geduld hebben.

En dan is het eindelijk zover, ik kan het bijna niet geloven, het grote moment is daar: ik ben aan de beurt! Als de kassière mijn boodschappen scant, komt er plotseling een collega achter de kassa staan de alles annuleert om contant geld uit de kassa te halen. Scanpoging twee en drie mislukken ook, omdat de streepjescode van een van de producten niet herkend wordt. Als zelfs het handmatig invoeren van die code niet werkt, reken ik alleen de overige aankopen af.
Ik maak echter de fout om contactloos te willen betalen, wat voor nog meer vertraging zorgt, want de apparatuur weigert. Uiteindelijk verlaat ik na een uur de winkel met slechts twee producten en een belangrijke conclusie: ga in de Filipijnen nooit naar een supermarkt. Echt, maak die fout niet. De Filipijnen hebben namelijk het meest inefficiënte kassasysteem ter wereld. En niet alleen in de supermarkt, ook bij de bakker waar ik de volgende dag ben is het raak. Wijs geworden door recente ervaringen vlucht ik daar wel op tijd het pand uit.
Maar goed, voor het overige vind ik het zeer aangenaam om in de Filipijnen te zijn, al denk ik niet dat ik die resterende 7638 eilanden ooit allemaal ga zien.




