Tokio in Japan is een van de grootste metropolen ter wereld, waar naar schatting ruim 40 miljoen mensen leven. Toch oogt de stad overzichtelijk en georganiseerd, zelfs tijdens de avondspits merk ik weinig van verkeersdrukte en ‑herrie. Voetgangers wachten allemaal keurig voor het rode licht, mensen zijn beleefd en er ligt nergens zwerfafval op straat. De eerste indruk van Japan is bijzonder positief.
Vanwege de omvang van Tokio zijn veel dingen er juist klein, hotelkamers en restaurants bijvoorbeeld moeten het vaak stellen met weinig vierkante meters, want die zijn vermoedelijk duur hier. De badkamer van mijn hotel doet denken aan het toilet in een vliegtuig, klein en volledig opgetrokken uit beige kunststof.

In de buurt waar ik verblijf zijn veel leuke eetgelegenheden, het lastige is alleen dat ik geen woord Japans spreek of lees, terwijl obers en menukaarten vaak uitsluitend die taal beheersen. De plastic voorbeeldmaaltijden die hier en daar in vitrines staan uitgestald om het kiezen te vergemakkelijken, helpen ook niet echt. Toch weet ik mijn avondmaal te vinden.
Zebrapad
Het uitgebreide en efficiënte metronetwerk van Tokio brengt mij bij Shibuya kruispunt, het beroemdste zebrapad van Japan, dat in diverse films, games en muziekvideo’s te zien is. Het is vermakelijk om de mensenmassa’s op het kruispunt van een afstandje te bekijken (ook hier loopt niemand door rood) en zelf steek ik het diagonale zebrapad twee keer over. Gewoon, omdat het kan.

Ik verlaat Tokio met de Shinkansen, een netwerk van hogesnelheidstreinen, dat de reputatie heeft veilig en punctueel te zijn. Op het station staat een felgele Doctor Yellow, de bijnaam voor een reeks hogesnelheidstreinen, die worden ingezet om metingen te verrichten voor spooronderhoud en ‑veiligheid. De trein die ik moet hebben, heeft dezelfde aerodynamische vormgeving, maar niet de felle kleur. Na stipt 2 uur en 14 minuten ben ik in Kyoto, dat ruim 400 kilometer verderop ligt.

Toilet
Kyoto is een prettige stad en ook hier is geen drukte, kabaal en zwerfafval. Er is duidelijk meer ruimte dan in Tokio, mijn hotelkamer kost minder, maar is groter en moderner en bovendien voorzien van een nog fraaier high tech toilet. Ik bedoel zo’n wc met allerlei knopjes, verwarmde zitting en een regelbare waterstraal om het reinigingsproces te ondersteunen. Je komt ze in Japan overal tegen, sommige hebben zelfs een extra straal die geactiveerd kan worden door het knopje ‘voorzijde’ te gebruiken, maar die functionaliteit is denk ik voor vrouwen bedoeld.

In de wijk Gion staan goed bewaard gebleven historische huizen, op straat lopen geisha’s en in het Maruyama Park is de Japanse kersenbloesem volop te zien. Het geheel oogt mooi, maar voelt ook als het Japanse equivalent van houten vissershuisjes, vrouwen in klederdracht en tulpen, met als verschil dat de geisha’s hier echt wonen en werken en de bloesems overal in Japan spontaan het voorjaar aankondigen.
Boem
Een wederom stipte hogesnelheidstrein brengt mij in Hiroshima. Het herdenkingspark en ‑museum voor de slachtoffers van de atoombom maken indruk, met alle monumenten, foto’s en verhalen die je te zien krijgt. Als ik op weg naar het park over de Peace Boulevard loop, krijg ik een beklemmend gevoel van ‘hier viel ooit een atoombom’. In een perkje staan enkele bomen, een informatiebord geeft aan dat deze de bom hebben overleefd, wat me een positiever gevoel geeft. Een atoombom overleven kan dus ook.

Verder is Hiroshima net als de andere steden die ik bezocht. Vriendelijke mensen, geen drukte, geen kabaal en geen zwerfafval. Als ik boodschappen doe, maakt de zelfscankassa bij elke product dat ik scan het geluid van een paard. Om me heen hoor ik nog veel meer dieren, elke kassa heeft zijn eigen geluid en er zijn een stuk of tien kassa’s. Japan is een ontspannen en aangenaam land om te zijn, maar heeft ook zijn eigenaardigheden. Mèèèèh.
Zuid-Korea
Ook in Zuid-Korea kom ik terecht in oorlogsverleden als ik vanuit Seoul de DMZ bezoek. DMZ staat voor Demilitarized Zone, een bufferzone van vier kilometer breed tussen Noord en Zuid-Korea die is ingesteld na de Koreaanse Oorlog in de jaren 50. Vanaf een uitkijkpunt kan ik een dorp en stad in Noord-Korea zien liggen, met mijn verrekijker zie ik zelfs iemand fietsen. Onder de bufferzone lopen vier tunnels, die het noorden na de oorlog heeft aangelegd als onderdeel van een plan het zuiden alsnog te veroveren, maar de tunnels werden tijdig ontdekt. Of er nog meer ondergrondse tunnels zijn, is niet bekend.

Een dag later ga ik naar de plaats Sokcho, waarvandaan Seoraksan National Park goed te bereiken is. Ulsanbawi Rock, die bestaat uit zes pieken, is de meest iconische bergtop van het park, de wandeling ernaartoe is populair en berucht. Heen en terug samen is de tocht niet meer dan zeven kilometer, het laatste deel is echter zwaar en gaat via een reeks trappen omhoog langs de kliffen van de rotswand. Eenmaal boven heb je tijd nodig om te herstellen, maar de uitzichten zijn prachtig.
Brug
Met een Koreaanse hogesnelheidstrein ga ik naar Gyeongju, waar ik een totaal ander, maar ook mooi uitzicht tref als ik ’s avonds bij de Woljeonggyo brug ben. Deze overdekte, houten brug wordt na zonsondergang verlicht en spiegelt dan in het water. Via een stenen pad dat is aangelegd in de rivier heb je het beste zicht en kun je mooie foto’s maken, al moet je wel uitkijken dat je niemand in het water druk of er zelf in valt.

Gyeongju was de hoofdstad van Silla, een koninkrijk dat eeuwen geleden heerste over grote delen van Korea. Tegenwoordig zijn er in de stad nog veel dingen uit die tijd terug te vinden, zoals grafheuvels, een paleis en ook de houten brug. De brug is een moderne reconstructie van een origineel dat verloren ging in de periode na het koninkrijk.
Mijn laatste stop in Zuid-Korea is Busan. De afgelopen weken heb ik prachtig voorjaarsweer gehad, maar vandaag is het een druilerige dag. Daarom besteed ik mijn tijd maar aan het afronden van dit reisverslag. Ook leuk, niet waar?




