Peru is het volgende land dat ik aandoe in mijn reis door Zuid-Amerika. Een lange busrit eindigt in Cuzco, ooit de hoofdstad van het Incarijk en tegenwoordig hoofdstad van de gelijknamige regio. De plaats wordt vooral bezocht vanwege de oude binnenstad en nog meer vanwege de nabijheid van Machu Picchu, dé toeristische trekpleister van Peru.
Op zich ben ik geen liefhebber van toeristische trekpleisters – ik ben nog nooit in Volendam geweest – maar dit geval is anders. Machu Picchu bestaat uit de ruïnes van een oude Incastad, die stamt uit de vijftiende eeuw en in 1866 werd herontdekt. Vermoedelijk was het een buitenverblijf voor edelen. Ik heb een toegangsbewijs voor 6 uur ‘s morgens geboekt om drukte voor te zijn en de zonsopkomst te zien. Vroeger kan niet.

De dag voor ik Machu Picchu bezoek, verblijf ik in Aguas Calientes, een toeristisch oord waarvandaan de ruïnes voor wie wil te voet bereikbaar zijn. Met mijn nog verzwakte enkel neem ik liever de bus en op diverse plekken wordt me verteld dat je dan al om 5 uur in de rij moet staan om een plek te hebben in de eerste bus. Voor de zekerheid ga ik een kwartiertje eerder en als ik arriveer bij de halte staat er tot mijn verbazing slechts één persoon, die nog verbaasder is dan ik omdat hij vooraan staat. In het halfuur dat volgt stroomt het vol met mensen.
Wat als?
De bus stopt bij de ingang van Machu Picchu, waar ik als een van de eersten naar binnen ga. Na een korte wandeling kom ik op een hoger gelegen plek die uitzicht biedt op de vergane stad. Het was afzien om zo vroeg op te staan (om 4 uur liep de wekker af), maar nu ik hier ben, begrijp ik dat ik het niet anders had moeten doen. Wat een geweldig uitzicht, de eeuwenoude overblijfselen van een verdwenen beschaving en het omringende landschap dat er perfect op aansluit. Dat er zo vroeg nog geen andere toeristen door het beeld wandelen maakt het alleen maar beter.

Terwijl ik uitkijk over de vergane stad, vraag ik me af wat er geworden was van de Inca’s als hun beschaving niet ten onder was gegaan – en dit heb ik even opgezocht – aan besmettelijke ziektes, interne strijd en verovering door de Spanjaarden. Hoe zou het wereldje in dit deel van Zuid-Amerika er dan uitzien?
De terugweg van Machu Picchu naar Aguas Calientes besluit ik wel te lopen, het lange pad omlaag leg ik stapvoets af omdat mijn enkel niet sneller wil. Onderweg komen mij zwetende en hijgende mensen tegemoet, die stuk voor stuk vragen of het nog ver is naar boven en die allemaal hopen dat het antwoord nee is. Ik denk dat het een wijze keus was om de bus te nemen.
Nevel
In Lima, de hoofdstad van Peru, verblijf ik enkele dagen in de aangename wijk Miraflores, daarna reis ik door naar Quito in Ecuador. Die stad maakt een wat rommelige indruk, mede door de eindeloze stoet stinkende stadsbussen in het straatbeeld. Het is daarom bijna letterlijk een verademing om enkele dagen later in Mindo te zijn, een klein plaatsje in het zogeheten nevelwoud. Als je er bent begrijp je die term meteen, vanwege de laaghangende bewolking en de sluier van nevel over de bergen en bossen die je er voortdurend ziet.

Ik verblijf in een houten huisje buiten het dorp, de omgeving is groen en er zijn met name ‘s avonds en ‘s nachts uitsluitend natuurgeluiden hoorbaar. Het regent elke dag meerdere keren, maar de zachte en gelijkmatige buien duren kort en dragen bij aan het gevoel van ontspanning. Vanaf het kleine overdekte terrasje bij de voordeur zie ik agoeti’s, kapucijnapen, vlinders en veel vogels.
Wetsdienaars
Colombia is het laatste land dat ik bezoek in Zuid-Amerika, van miljoenenstad Bogota reis ik naar het landelijke Mesetas. De busrit gaat over een bergweg met veel en traag vrachtverkeer, aan boord klinkt continu slechte muziek en onderweg worden we aangehouden door de politie. Als enige westerling pikt een agent mij eruit, met het verzoek mijn telefoon en paspoort mee te nemen naar de politieauto die verderop staat. Daar aangekomen neemt hij mijn mobiel in beslag, met het kulverhaal dat hij een routinecontrole moet uitvoeren om te zien of het een gestolen exemplaar is. Zijn collega vraagt mijn paspoort en legt het naast zich in de auto.
Een derde wetsdienaar begint allerlei overbodige vragen te stellen (“Waarom reis je naar Mesetas? Waarom in deze bus?”), het beantwoorden gaat moeizaam vanwege het taalverschil. Medepassagiers komen me te hulp en vragen met geïrriteerde blik waarom het allemaal zo lang duurt. De vrouw die vooraan staat, doet dit met met veel overtuiging, haar gezicht staat op onweer. Wanneer ze teruglopen naar de bus, wordt mijn ondervrager ongeduldig en kan hij niet langer voor zich houden wat hij eigenlijk van me wil. “Dollars, dollars”, zegt hij geprikkeld.

Helaas mannen
“In de bus”, zeg ik geheel naar waarheid, terwijl ik zou willen dat ik dollars op zak had, dan was ik van dit gezeik af. Maar mijn eerlijke antwoord blijkt een voltreffer. De diender deinst achteruit en reageert met “no, no, no”. Stel je voor dat de hele bus het ziet. Op dat moment weet ik én weet het drietal dat hun dollardiefstal vandaag niet gaat lukken. Ik krijg mijn telefoon en paspoort terug, een van de mannen geeft me zelfs een hand en erkent hiermee zijn nederlaag, daarna kan ik gaan. Bij de bus krijg ik van de vrouw die me hielp een boks.
Als ik in Mesetas uitstap, vraagt de buschauffeur of de agenten dollars van me hebben gehad en hij reageert verheugd als ik nee antwoord. “Serieus, helemaal niets?” Nee dus. Vervolgens krijg ik een schouderklop en een gulle lach, daarna roept hij de bijrijder en vertelt hem dat het de corrupte smerissen niet gelukt is om geld te jatten. Door het respect van de chauffeur eindigt de lange en trage busrit toch nog goed.
Kabaal
In Mesetas is veel herrie, ik ben er nog geen tien minuten en word al helemaal gek. Het lijkt of elke winkel, restaurant en bar het maximale uit zijn muzieksysteem wil halen en niemand zich aan het kabaal stoort. Mijn accommodatie ligt buitenaf en als ik in de houten hut mijn rugzak afdoe, zijn er enkel nog natuurgeluiden, waaronder een stromende rivier. Eindelijk, rust! Ik adem diep in, concentreer me op wat ik hoor en complimenteer mezelf met de keuze voor deze plek. Dan krimp ik ineen.

Verderop trekt iemand zijn installatie helemaal open. Met de Zuid-Amerikaanse variant van hoempapamuziek ook nog. Dan maar weer terug de luidruchtige zone in om wat te eten, wie weet is de overlast bij de hut minder als ik terugkom. Een uur later is er helaas weinig veranderd en daarom vraag aan de verhuurder hoe lang de muziek nog doorgaat. “Dat duurt meestal wel even”, krijg ik als antwoord. Uiteindelijk kruip ik met oordoppen in onder het muskietennet dat over mijn bed hangt en probeer ik te slapen. Het net houdt de insecten op afstand, de doppen het geluid niet. Waarom ben ik in vredesnaam naar dit kutgehucht afgereisd?
Wegwezen
Het eerste wat ik de volgende ochtend doe, is mijn boeking voor de bus terug naar Bogota verplaatsen naar een vroeger tijdstip. Wegwezen hier, hoe eerder, hoe beter, is de gedachte. Daarna neem ik ergens een ontbijt en maak ik een rondje door de straten. Overdag blijkt Mesetas een vredig dorpje, als een van de weinige vreemdelingen trek ik bekijks en is iedereen vriendelijk tegen me. Het valt bij nader inzien best mee hier. ‘s Avonds is het kabaal stukken minder en bij de hut zelfs helemaal afwezig.

Uiteindelijk verlaat ik Mesetas met een goed gevoel. Op de terugweg zie ik hoe mooi de omgeving is met zijn groene heuvels en verre uitzichten en begrijp ik weer waarom ik voor Mesetas heb gekozen. Dat mijn wandeling door die omgeving gistermiddag vrij kort was vanwege regenval, neem ik op de koop toe. Dat kan ik eventueel nog goedmaken in mijn volgende bestemmingen Panama en Mexico, waarmee deze reis richting Noord-Amerika gaat.




